Loslaten, een groeiproces – hoe laat je los als je kind erg aan je hecht

Loslaten, een groeiproces“Wij gaan even naar P thuis. Dan komen we weer terug hier en dan gaan we hier buiten spelen in een geheime hut. Als je hier blijft wachten kun je meedoen.”

Ik zie de aarzeling bij oudste zoon. Hij wil heel graag spelen. R, het vriendje met wie hij wilde spelen, ging al met een ander vriendje spelen. Maar nu wordt hem dit aanbod gedaan. Door R. Eigenlijk wil hij het wel. Maar dit is hij niet gewend. En nieuwe dingen vindt hij spannend. Zeker als ik zeg dat ik hem dan niet kom ophalen, maar dat hij met R mee naar huis mag fietsen. Zonder mama naar huis rijden? Oei, dat is wel een dingetje. Ik zie de worsteling in zijn hoofd.

Oudste zoon staat door zijn onveilige start in het ziekenhuis angstig in het leven. Hij vindt veel dingen spannend en houdt zichzelf graag klein en onzichtbaar. Als je klein bent is dat nog niet zo opvallend. Je kunt wegkruipen achter mama’s rokken. En hoewel niet al je leeftijdsgenootjes dat doen, voelt het toch niet gek als jij dat wel doet. Maar hoe ouder hij wordt, hoe meer hij merkt dat leeftijdsgenootjes zich meer en meer losmaken van thuis. En hij ziet dat ze dat niet alleen dòen, maar dat ze dat ook zelf willen. En zelf gaat hij merken dat er soms een tweestrijd in hem ontstaat. Ergens voelt hij ook wel de vrijheid die het oplevert als je niet steeds door mama in de gaten gehouden wordt, maar dat betekent dat je dan dus alleen dingen moet doen. En dat is spannend.

Loslaten. Het is een heel proces. Als ouder heb je in het begin grote zorgtaken en langzaam gaan kinderen hun eigen weg bewandelen. Gaan ze hun eigen dingen doen, wordt hun wereld groter en jouw invloed kleiner. Laat je los, in vertrouwen dat het goed komt. Laat je los, wetend dat ze het recht hebben om hun eigen fouten te maken. Zet je een stap achteruit en ben je er om ze op te vangen als dat nodig is, maar steeds meer op de achtergrond. Een proces waar je ook als ouder in moet groeien.

Die eerste schooldag, de eerste zwemles, de eerste keer naar een vriendje om te spelen zonder dat je erbij bent. Allemaal mijlpalen en allemaal stapjes in het proces van loslaten en vertrouwen geven. Vaak gaat het vanzelf. Zegt je kind zelf: “nee hoor, ga maar weg” of fluistert het bij het schoolplein “ik hoef geen kusje meer hoor” En dan moet je als ouder misschien soms even slikken en denk je: “ok, we sluiten weer een fase af”.

Maar als je kind heel erg gehecht is aan je, heel erg aanhankelijk is en heel erg angstig, dan is het proces van loslaten soms best lastig. Want ergens diep van binnen zit een soort oerbeschermingsdrift die zegt: “och kind, kom maar hier, ik bescherm je wel.” Maar als hij opgroeit, dan ben ik er niet altijd om hem te beschermen. Hij moet zichzelf veilig kunnen voelen. Natuurlijk willen wij hem helpen, maar wij zijn er niet altijd. Hij mag leren dat hij zèlf sterk genoeg is. Dat hij de wereld aankan. En dat hij de wereld mag ontdekken. En dat gaat niet als ik me heel beschermend opstel. Daar waar je als ouder soms even moet slikken als je kind weer over een drempel stapt, moeten wij soms onze eigen angsten aan de kant zetten om hem te helpen over die drempel te komen.

Het is bij oudste zoon elke keer heel goed zoeken naar de balans. De balans tussen dat hij zelf aangeeft dat hij stappen kan gaan zetten en een kleine lichte dwang van buitenaf. Pushen heeft geen zin. Maar we moeten alert blijven op de momenten dat het wel lijkt te gaan, want die moeten we grijpen. Dit is zo’n moment.

Zijn vriendjes zijn inmiddels weg en hebben gezegd dat ze zo terugkomen. Hij wil wel blijven en hij wil ook wel alleen naar huis fietsen dan. Dus wij blijven wachten op het schoolplein.

“Wat als hij valt? Wat als hij aangereden wordt? Zou hij wel goed uitkijken met oversteken? Ze moeten wel een drukke straat oversteken naar huis. Wat zouden ze gaan doen met z’n 3-en? Zouden ze wel voorzichtig zijn?” In mijn eigen hoofd tuimelen de gedachten over elkaar heen. De appel valt ook niet ver van de boom, oudste zoon heeft het van geen vreemde. “We kunnen nog naar huis en zeggen dat we het niet doen”, zegt een stemmetje. Maar nee, dit is zo’n kans voor hem, die gaan we pakken. Ik gun hem dit moment van vrijheid. Want hoe heerlijk is het toch als je even je eigen gang kan gaan zonder volwassene die steeds met je meekijkt.

Ik pak het kaartje uit zijn tas. Het kaartje waar mijn telefoonnummer op staat. En waar op staat wat voor aandoening hij heeft, welke medicijnen hij slikt en bij wie hij in behandeling is. Ik wil dat hij het kaartje in zijn jaszak doet. “Waarom”, vraagt hij. “Daar staat mijn telefoonnummer op,” zeg ik. “Waarom,” vraagt hij nog een keer. “Stel dat je van je fiets valt, dan kan iemand mij bellen,” zeg ik. “Waarom moet iemand jou dan bellen?” vraagt hij. Hij geeft niet zomaar op. “Als jij van je fiets valt en je kan gewoon weer verder fietsen, dan is er niks aan de hand. Maar stel dat je valt en je kan niet verder fietsen, dan is het misschien wel handig als iemand mij kan bellen, dan kan ik je op komen halen.” Ik zeg er niet bij dat als hij een ongeluk krijgt dat ik dan graag wil dat de dokter meteen ziet wat er met hem aan de hand is. Dat hart benoemen we nu niet en als ik nu over ongelukken en dokters begin, dan breng ik mijn eigen angst op hem over. En dan haakt hij alsnog af. Maar dat kaartje móet met hem mee, anders zit ík niet fijn thuis. Want hoe je het ook wendt of keert, dat hart maakt loslaten ook voor mij iets moeilijker. Ok, dat laatste argument vindt hij wel redelijk. Maar hij wil niet het kaartje in zijn jaszak. Dan neemt hij liever zijn hele tas mee.

“Vergeet je dan niet je tas? Doe je er wel voorzichtig mee?” Automatisch komen de gedachten op in mijn hoofd, maar ik zeg het niet. Ik bijt op mijn tong en hou mijn mond. Ik wéét dat hij voorzichtig is, ik wéét dat hij heel verantwoordelijk is. Hij verdient mijn vertrouwen. Als ik het hem niet geef, hoe kan hij het zichzelf dan geven?

Daar komen zijn vriendjes. Een snelle kus en we zwaaien gedag naar elkaar. Jongere broer en ik gaan naar huis. Om half 5 zullen ze naar huis komen. Jongere broer en ik doen spelletjes. Tussendoor gaan we jongste broer ook nog ophalen. Ik laat de poort open. Stel dat hij eerder thuiskomt. Ik heb mijn telefoon extra luid gezet, het zal me niet gebeuren dat ik gebeld word en de telefoon niet hoor.

Om iets over half 5 gaat de bel. Twee glimmende oogjes kijken me aan. “We zijn in de winkel geweest en we hebben snoepjes gekocht. Ik heb een hele zak spekkies gekocht. En ik heb in het park ijs kapot gestampt. Ik was wel heel voorzichtig hoor, ik ging zitten op de rand, daarom is mijn broek ook zo vies.” Hele verhalen hoor ik aan en ik ben blij dat ik er niet bij was. Dit is wat hij als 8-jarige moet beleven. Lekker met vriendjes een beetje “chillen”, grenzen opzoeken zonder een moeder die steeds roept (of uitstraalt) “doe je voorzichtig”, vertrouwen opdoen in zijn eigen kunnen.

’s Avonds bespreken we het nog even. “Ik vond het wel heel spannend hoor, mama”, zegt hij. “Maar je hebt het wel gedaan!” zeg ik. Ben je trots op jezelf, vraag ik aan hem. “Wel een beetje,” moet hij toegeven. Dat ben ik ook. Trots op hem dat hij dit heeft gedaan. En trots op mezelf dat ik dit heb gedaan. Ik vond het ook heel spannend en ik heb het ook gedaan. Het is voor ons allebei een groeiproces en wat hebben wij vandaag allebei een grote stap gezet!

Trots op ons, wij komen er wel ?

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.