Curling ouders?

curling

We zaten pas geleden bij de psycholoog en bespraken hoe het ging. We vertelden over onze angsten, onzekerheden, maar ook over onze dagelijkse invullingen. Over de bezigheden van oudste zoon, zoals school en voetbal. De dilemma’s over zijn aandoening, zeker nu hij ouder wordt. Wie vertel je wat? En hoeveel vertel je dan? Hoe “los” kunnen we hem laten?

“Ik vind het zo goed van jullie,” zei de psycholoog. We keken haar een beetje verbaasd aan. “Jullie laten hem gewoon voetballen. Zelfs al is dat soms spannend, om hem los te laten en te vertrouwen.”

We haalden onze schouders op. We gaven aan dat dat ook niet altijd eenvoudig is, dat dat bij ons ook gepaard gaat met hoofdbrekens en twijfels. Maar ja, de cardioloog heeft gezegd dat het mag. Er bestaat in principe geen groot risico. Hij mag zelf zijn grenzen op gaan zoeken. De cardioloog heeft aangegeven dat het ook niet erg is als hij daar eens over heen gaat. Dus ja, daar moeten we maar vertrouwen in hebben.

Ze knikte en zei: “Maar ook al vinden jullie het soms lastig, jullie doen het wel en dat lukt toch niet iedereen.” In haar werk als psycholoog in het ziekenhuis ziet ze heel veel ouders en kinderen met een aangeboren of verworven aandoening. Kinderen die, net als onze zoon, ondanks hun aandoening heel veel kunnen en mogen. Maar bij wie door hun ouders toch veel op de rem getrapt wordt. Goedbedoeld uiteraard. Uit angst dat er iets gebeurt, uit voorzorg voordat een kind te moe wordt, om hem of haar te beschermen tegen oordelen van de buitenwereld. Allemaal vanuit een goed hart, maar toch.

Ik moet denken aan verhalen die ik laatst hoorde van mensen die met jongeren met een chronische aandoening op vakantieweken waren. Dat het ze opviel op wat voor manier veel van deze jongeren in het leven stonden. Dat ze weinig initiatief toonden, want thuis werd alles voor ze gedaan. Dat ze bij voorbaat vaak al zeiden: ‘nee, dat kan ik toch niet’ terwijl ze het nog niet eens geprobeerd hadden. Dat ze het gevoel hadden aan de zijlijn te staan in plaats van daadwerkelijk mee te doen in de maatschappij. Dat ze afwachtten en verwachtten dat dingen voor hen gedaan werden omdat ze niet gewend waren om zèlf dingen op te pakken en door te zetten. Omdat de mensen om hen heen, met de allerbeste bedoelingen, hen de regie over hun leven ontnamen. Door voor hen te beslissen, door voor hen te denken, door hen taken uit handen te nemen. Daarvan werden ze hulpeloos, wisten ze niet wat ze zelf wilden en voelden ze zich minder dan anderen.

In de krant en in verschillende ‘mamabladen’ kom je momenteel regelmatig de term curlingouders tegen. Misschien heb je er ook al iets over gelezen. Bij de sport curling moet een grote schijf van de ene kant van de ijsbaan naar de andere worden gegleden. Die schijf moet dan zo dicht mogelijk bij een bepaald doel terecht komen. Hij mag niet te hard gaan, maar ook niet te zacht. Er staan dan een aantal spelers op de baan met een bezempje en die vegen de route van de schijf schoon, zodat die zonder al teveel hobbels op de weg zo dicht mogelijk bij zijn doel komt.

En dat is wat de zogenaamde curling ouders doen: ze vegen de route voor het kind schoon, zodat alle hobbels verdwijnen. Voordat er problemen zijn, lossen zij ze al op. Ze willen voorkomen dat hun kind verdriet heeft, pijn heeft of bang wordt.

Ik ken wel dat gevoel om zoveel mogelijk problemen vóór te zijn. Om mijn kinderen zoveel mogelijk teleurstelling te besparen. Veel ouders zullen dat gevoel vast in meer of mindere mate herkennen. Maar als je kind een chronische aandoening heeft, dan is het nog verleidelijker om ineens in de rol van curling ouder te schieten. Hoe vaak gebeurt het je dat je denkt: ach kind, doe maar niet, dat gaat je niet lukken met jouw conditie. Hoe vaak ga je toch je kind ophalen met de auto omdat je bang bent dat hij anders te moe is. Hoe vaak wil je je kind toch liever ompraten om een andere sport te gaan doen omdat je bang bent dat dit misschien te gevaarlijk is. Of omdat jij bang bent dat je kind misschien uitgelachen of gepest gaat worden.

Alle ouders hebben het gevoel hun kind te moeten beschermen. Maar als je kind een chronische aandoening heeft, als je je kind al een aantal keer ernstig ziek in een ziekenhuisbed hebt zien liggen, dan is die neiging nog een stapje groter. En is het dus niet gek dat je graag zoveel mogelijk hobbels wegpoetst. Je kind heeft tenslotte al zoveel hobbels gehad en zal er nog zoveel krijgen. Er zijn gewoon meer hobbels op het pad van je kind, dus de neiging is groot om ze weg te willen poetsen.

De vraag is alleen, hoe gaat je kind met die hobbels om als jij er niet bent om hem daar bij te helpen? Als ik nu voor mijn zoon alle hobbels wegpoets, wie doet het dan als ik er niet (meer) ben? Hoe kan hij vertrouwen in zichzelf krijgen als ik alles voor hem oplos? Hoe kan hij zijn eigen stukjes wereld veroveren als ik precies aangeef wat zijn terrein is? Hoe kan hij zijn grenzen leren kennen als hij ze nooit mag opzoeken?

Kijk, als de specialist zegt dat we met bepaalde dingen voorzichtig moeten zijn, is het een ander verhaal. Maar nu de cardioloog zegt dat het verantwoord is dat hij de ruimte krijgt om zijn grenzen op te zoeken, dat het cardiaal geen kwaad kan, dan hoef ik hem dus niet tegen te houden. Dan mag hij net als elk ander kind de kans krijgen om zijn neus te stoten. Dan mag hij de kans krijgen om te falen, weer op te staan en het nog eens te proberen. Om op die manier te leren dat doorzettingsvermogen je ergens kan brengen. Dat je moet werken om ergens te komen. Dat je om hulp mag vragen als het niet lukt en dat niet automatisch iedereen je helpt. En dat je veel kunt bereiken, maar dat ook niet alles kan en lukt. En dat dat zo is als je een aandoening hebt, maar ook als je geen aandoening hebt. Want dan kun je ook niet alles.

Neem eens iets in gedachten waarvan je achteraf denkt: zo, daar heb ik zoveel van geleerd! Dikke kans dat dat niet een situatie was die met een rimpelloze zee te vergelijken was. Waarschijnlijk was het een dikke hobbel die je overwonnen hebt. En die je iets geleerd heeft. Iets waardevols. Wat je zonder die hobbel (hoe vervelend die op dat moment ook was) misschien niet geleerd had.

Als ik wil dat mijn zoon leert omgaan met de hobbels die hij onherroepelijk op zijn pad gaat tegenkomen, dan doe ik dat niet door zoveel mogelijk hobbels weg te poetsen. Dat kan ik het beste doen door hem te helpen bij de hobbels die hij tegenkomt. Door hem het vertrouwen te geven dat hij die hobbels aan kan. En door hem te laten ervaren dat het soms misschien iets langer duurt voordat hij over een hobbel is en dat dat niet erg is. Door hem vaardigheden te leren, zoals doorzettingsvermogen, creativiteit, om hulp vragen. Door zijn zelfvertrouwen te vergroten. Door hem op te vangen als het niet lukt.

Geen curling ouder om alles glad te strijken, maar misschien meer een zwemvest ouder. Of een veiligheidsgordel ouder. Een ouder die zijn kind laat klimmen, die zijn kind laat varen. En die hem kan opvangen als er iets misgaat. Zodat hij niet te pletter valt. En niet verdrinkt op volle zee. Een zwemvest of veiligheidsgordel. Die misschien niet nodig is. Maar die mijn kind het vertrouwen geeft om het te proberen. Omdat hij weet dat mòcht er iets misgaan, dat hij opgevangen wordt.

Ik kijk naar de symbolische bezem in mijn hand. De bezem waarmee ik graag alles gladveeg. Die ik graag bij me heb om toch nog even…. Ik zucht diep en zet hem in de hoek. Natuurlijk mag ik heus wel eens een beetje poetsen aan zo’n hobbel. Maar die bezem staat daar prima in de hoek. Bovendien, als ik mijn kinderen de kans geef om over hobbels te struikelen, dan zit die bezem toch maar in de weg. Dan kan ik toch maar beter mijn handen vrij hebben om ze op te kunnen vangen, niet waar?

2 reacties

  1. Merlijn

    Niets aan toe te voegen, behalve dat ik, volwassene met ernstige aangeboren hartafwijking en kind van zwemvestouders (bedankt voor de term!) even wil bevestigen dat het écht zo enorm belangrijk is om waar mogelijk net zo te worden benaderd als ieder ander. Waar dat niet kan kan het niet, maar dat blijkt veel minder vaak te zijn dan men vaak verwacht. En ik ben er ook van overtuigd dat het feit dat ik zoveel wel kan en dat het zo goed gaat ook voor een groot deel te danken is aan dat ik altijd mijn eigen grenzen heb mogen opzoeken

    Beantwoorden
    • marianne

      Dank je Merlijn. Goed om die bevestiging te lezen. Als je als ouder wilt dat je kind in zichzelf (leert) geloven, dan is het belangrijk om zelf in je kind te geloven. Loslaten is niet altijd makkelijk, ook niet bij gezonde kinderen. Laat staan bij kinderen die door het oog van de naald zijn gekropen. Het liefst zou je ze in een doosje doen en ze beschermen. Maar ik moet ook blijven beseffen dat ik dankbaar ben dat mijn zoon is blijven leven dankzij zijn operaties en dat ik hem dus de kans moet geven om ook daadwerkelijk te leven. Zíjn leven te leven. En niet langs de kant blijven staan. Wat fijn om te lezen dat jouw ouders je gewoon de kans hebben gegeven om – platgezegd – op je bek te gaan. Je grenzen op te zoeken. Dat is wat ik mijn zoon ook gun. En dat is soms best lastig als je zelf erg voorzichtig van aard bent èn dus een kind hebt met een aandoening. Bovendien ben je niet alleen als ouders de omgeving van je kind. Ook school of sport heeft daar invloed op. En ook die kunnen heel snel uitstralen dat iets niet kan, omdat ze het niet aandurven. Zo ging mijn zoon vorig jaar een paar keer meetrainen met een verdedigingssport (mocht van de cardioloog, had ik al helemaal gecheckt). Maar toen we informeerden bij de leiding over eventuele inschrijving en zijn hartaandoening kwam ter sprake, trok ze toch een wat moeilijk gezicht en begon er over dat ik dan wel bij de trainingen aanwezig moest blijven. En echt, ik snàp de onzekerheid en de ongerustheid van zo’n sportleiding, maar het hindert wel het “normale” proces van loslaten. Want een negen of tienjarige bereid je toch ook langzaam voor op alleen sporten en zelfs alleen naar de sport toe fietsen. Uiteindelijk wilde hij toch niet naar die sport, dus dat dilemma werd even aan de kant geschoven, maar anders hadden we daar toch ook het gesprek aan moeten gaan over loslaten en vertrouwen. En die momenten gaan geheid ook nog komen bij andere sporten, evenementen etc. Wat ouders zou helpen denk ik (want er zijn meer ouders die hier mee worstelen) is als er erkenning is voor het feit dat loslaten en vertrouwen geven soms lastig is, maar dat het goed is om het toch te doen. Niet alleen ouders (ver/be)oordelen op het feit dat ze dit niet goed kunnen en zeggen “kom op, niet aanstellen en gewoon loslaten”. Maar erkennen dat het niet altijd makkelijk is en ze daarbij wel stimuleren om het wèl te doen. Binnenkort organiseert Harteraad een evenement waar jongeren met een hartaandoening informatie geven aan ouders. Ik denk dat dit punt daar ook voorbij zal komen. En ik denk dat het vanuit het oogpunt van jongeren, die terugkijken op wat goed ging of wat ze nodig hadden, beter binnenkomt dan vanuit “vreemden”. Lieve groet, Marianne

      Beantwoorden

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.